Manifest

 

laurier-ornament-rechts-spiege
laurier-ornament-links

De Pierre Bayle Prijs voor kunstkritiek 2024 is gewonnen door Doutzen Willaert voor haar multimediale productie waarin zij in woord en beeld het maakproces vastlegt van Ron Rijghards debuutregie Dantons dood – toch nog een keer. De jury roemde Willaerts productie als ‘zo gedegen en integer dat-ie Duits had kunnen zijn’.

De Vlaams-Nederlandse oeuvreprijs voor kunstkritiek, ingesteld door het Mondriaan Fonds en het Kunstendecreet, gaat in 2024 naar Janneke den Hartenjager. Zij begon haar journalistieke carrière met het schrijven van paginalange beschouwingen over onder andere de invloed van Jan Hoet op de herwaardering van het Vlaamse post-industriële landschap. Tussen 2016 en 2019 presenteerde Den Hartenjager het populaire kunstprogramma voor jongeren Kijken kreng! En inmiddels heeft zij meer dan veertigduizend volgers op Twitter, waar zij iedere twee dagen een overpeinzing plaatst over de relatie tussen beeldende kunst en eten.

Tot slot, de Prijs voor Jonge Kunstkritiek. Die gaat in 2024 naar Joris Vondeling, 23 jaar en in het dagelijks leven student informatiemanagement. Joris ontwierp de Tell Me What 2 Watch, een op gepersonaliseerde logaritmes gestoelde app die lezers op maat gesneden informatie geeft over voorstellingen en tentoonstellingen in een straal van tien kilometer.

 ⁂

Is deze voorstelling van de wereld over tien jaar vreemd? Nee.

Wat hooguit vreemd is, is dat in deze toekomstvisie het begrip ‘kunstkritiek’ nog voorkomt.

Maar dat kan alleen als we nu een paar dingen loslaten. We moeten niet al te krampachtig vasthouden aan papier, en al helemaal niet aan de papieren kranten die toch al jaren lang de kunstkritiek stiefmoederlijk behandelen en steeds verder naar de marge drukken. We moeten eindelijk eens stoppen met het gelijkschakelen van ‘laagdrempelig’ met ‘lage kwaliteit’. We moeten stoppen met roepen dat vroeger de artikelen langer waren, de foto’s kleiner, de koppen serieuzer en de lezer intelligenter. We moeten ons misschien zelfs realiseren dat de recensie als stijlvorm zijn langste tijd gehad heeft.

Als wij, critici, niet drastisch onszelf herdefiniëren, opnieuw uitvinden, dan is er in 2024 geen Pierre Bayle Prijs meer of Prijs voor de Jonge Kunstkritiek. Dan heeft de kunstkritiek zichzelf definitief buitenspel gezet. Wat nu al wordt gezien als een luxe-speeltje voor een exclusief clubje liefhebbers, een exercitie binnen een universum hier ver vandaan, zal dan echt zover in zichzelf zijn opgerold dat ze geïmplodeerd is. Dan is over tien jaar het verzamelde werk van Robert Hughes in de bibliotheek op de plank twintigste-eeuwse geschiedenis te vinden. En staat er in het woordenboek achter het woord ‘kunstcriticus’: laat-modernistische duider van kunsten, uitgestorven beroep vergelijkbaar met schillenboer en schoorsteenveger.

Dat is niet wat we willen. Wij willen gelezen en gehoord worden door een breed publiek. Wij willen dat de kunstkritiek ertoe doet.

Maar als we voorbij die voor de hand liggende constatering willen komen, moeten we ons afvragen: waarom? En: voor wie?

Het antwoord op het waarom is niet zo moeilijk te geven. Kunst maakt het leven mooier, de geest creatiever, de wereld kleurrijker, het maatschappelijk debat sappiger. En de kunstcriticus helpt daarbij door kunst onder de aandacht te brengen, te duiden en te schiften. De criticus is de belangrijkste aanjager van het gesprek over de kunst.

De belangrijkere vraag is: voor wie? We zitten al te lang opgesloten in een aanbod-gestuurde automatisme, waarin we de stukken schrijven waarvan wij vinden dat ze gelezen moeten worden om ze vervolgens onwillige lezers door de strot te duwen. Dat die ‘kunst omdat het moet’-houding weinig productief is, weet iedereen die wel eens eigen of andermans kinderen cultureel op sleeptouw heeft genomen. Als je een kind vijf uur lang door het Rijksmuseum laat rondlopen, zal hij er weinig plezier aan beleven en hoogstwaarschijnlijk als volwassene niet terugkeren. Als je datzelfde kind drie schilderijen uit de eregalerij laat kiezen en zelf laat vertellen waarom hij die het mooiste vindt, bestaat er een reële kans dat het een geslaagde middag is en dat het kind volgende week vraagt om een vervolg.

Hiermee wil ik niet impliceren dat we de beoogde consument van kunstkritiek moeten beschouwen als kind. Noch moeten we hem – zoals veel cultuurpessimisten gewoon zijn te doen – beschouwen als een oppervlakkige en onwillige barbaar met de attentiespanne van een demente chihuahua.

Wel moeten we ons realiseren dat de burger van nu, de mens uit de ‘information age’, een andere is dan de krantenabonnee van tien, twintig of dertig jaar geleden. Tot in het diepst van zijn vezels is hij een verwerker geworden van enorme hoeveelheden data. In veel minder tijd verwerkt hij steeds meer tekst en beeld. Dat doet hij bovendien op tijdstippen die vroeger bestemd waren voor op de tram wachten, lunchen of een telefoongesprek voeren – versnipperd en vaak gelijktijdig met een andere activiteit. Papier, waarvan wij vinden dat het waarde heeft en waarvan wij hopen dat het nooit zal verdwijnen, is allang niet meer de geijkte drager voor informatie. Nu al wordt tachtig procent van het nieuws via het scherm van mobiele telefoons geconsumeerd en dat percentage zal alleen maar hoger worden.

Dat zijn de feiten. Daar zullen we ons toe moeten verhouden.

En dat gaan we niet doen door de hakken in het zand te zetten en stug te blijven doen wat we al deden totdat het allerlaatste tijdschrift omvalt. Het is veel productiever om na te denken hoe je volgers op Twitter kunt verleiden tot het lezen van een lange beschouwing om die daarna te delen. Om een verfijning of – beter nog – een alternatief te ontwikkelen voor het ratingsysteem van ballen of sterren. Om een manier te vinden om filmrecensies zo panklaar aan leerkrachten te leveren dat ze ze gaan gebruiken in hun les. Om een site te ontwikkelen die zowel de snelle servicezoeker bedient die alleen maar wilt weten of een voorstelling de moeite waard is, als de diepganggeïnteresseerde die achtergrond wil. Om een commentaarstructuur te verzinnen die uitnodigt tot een echte inhoudelijke discussie. En om mechanismen te bedenken waarmee we de homo digitalis kunnen verleiden af en toe naar dat geduldige papier te grijpen.

Het technische gereedschap is er grotendeels al, kan voor onze doeleinden worden bijgebogen of kan betrekkelijk eenvoudig gemaakt worden. Wij hoeven alleen maar te bedenken wat we willen overbrengen, aan wie, hoe. En genoeg creatieve ruimte laten voor de specifieke eigenschappen die nieuwe media in zich dragen.

In een digitale omgeving waarin het leeuwendeel van de kunstkritiek nog stug de regels van het papier volgt, is een wereld te winnen. Er is een publiek te winnen, een publiek dat misschien wel veel groter is dan de groep dagbladlezers ooit geweest is. Mits we bereid zijn mee te gaan in de informatierevolutie, staan we aan het begin van een gouden eeuw voor kunstkritiek.

Uitgesproken door Edo Dijksterhuis, ter gelegenheid van de officiële lancering van LAK op 14 maart 2014 in deBuren, Brussel.