Longform: Ateliergeheimen (Kunstbeeld)

Kunstbeeld_Ateliergeheimen_medium

Voor De Kunst van de Kritiek zijn we met een aantal redacties aan het experimenteren met nieuwe vormen van (online) kunstkritiek. In de samenwerking tussen het LAK, Instituut voor Netwerkcultuur en het PublishingLab worden vijf zogenoemde ‘longforms’ gerealiseerd. Er zullen inhoudelijke kunstkritische producties gemaakt worden om online te publiceren waarin we met verschillende media aan de slag gaan. Met trots presenteren we hier de eerste resultaten van een experiment met Kunstbeeld.

Kunstbeeld wil de relatie tussen print en online verbeteren. Hoe kun je er voor zorgen dat je online content een echte aanvulling is op de papieren uitgave en hoe kan het voldoende uitgenodigd tot de aanschaf van de papieren uitgaven? De samenwerking met de designers van Template leidde tot Ateliergeheim Roy Villevoye.

Het werk van Roy Villevoye staat sinds 1992 in het teken van ontmoetingen, het jaar waarin hij voor het eerst naar Papoea-Nieuw-Guinea reisde. In het aprilnummer van Kunstbeeld vertelt de kunstenaar over zijn vriendschap met Omomá en waarom hij gemiddeld om de twee jaar naar de voormalige Nederlandse kolonie reist. In deze webspecial deelt hij geheimen van zijn thuisbasis: zijn atelier in Amsterdam. Je kunt inzoomen op een gedetailleerde foto van zijn atelier. Als je klikt op pijlen bij enkele objecten, hoor je zijn verhalen.

CONCEPT: Sophia Zürcher en Anna van Leeuwen, Kunstbeeld
INTERVIEW: Sophia Zürcher; foto: Peter de Krom
DESIGN: Template: Marlon Harder, Lasse van den Bosch Christensen
Mede mogelijk gemaakt door: LAK, Institute of Network Cultures, Domein voor Kunstkritiek

De kunst van de kritiek – 2015

Bij het lectoraat Netwerkcultuur is in samenwerking met het PublishingLab het project De Kunst van de Kritiek van start gegaan. In een consortium met Laboratorium Actuele Kunstkritiek en tientallen Nederlandse en Vlaamse kunst en cultuurtijdschriften wordt de komende maanden onderzocht hoe kunstkritiek online kan floreren. Hoe kan de kritiek zich in vorm en inhoud vernieuwen door gebruik te maken van digitale mogelijkheden? Hoe kan het kunstpubliek daarbij betrokken worden? En welke nieuwe verdienmodellen zijn er? Op 21 mei vindt een expertmeeting plaats, met lezingen en workshops. Ook worden daar kunstkritische ‘longforms’ aan het publiek gepresenteerd. Het onderzoek sluit aan bij het Amsterdam Creative Industries Network-project Creativiteit en Autonomie.

Verrijkte afbeeldingen: ThingLink

ThingLink-Banksy
VOORBEELD: ‘Banksy: Bringing Street Art to the Mainstream’, door Cliff Sherman (juni 2013) bevat video, Wikipedia-links, tekstnotities en extra foto’s.

ThingLink zorgt er (sinds 2009) voor dat gebruikers hun afbeeldingen interactief kunnen maken. Interactief betekent hier: verrijken met andere media, maar ook notities maken op het beeld zelf. Via aangeduide ‘punten’ op het beeld waar je overheen beweegt zie je een paar woordjes uitleg van de maker op de afbeelding, of kan je een video laten spelen en een fotogalerij bekijken.  Die korte uitleg op het beeld zelf is onder meer handig voor het analyseren van schilderijen: je kan bijvoorbeeld het perspectief van de middeleeuwse schilderkunst nauwkeurig via beelden vergelijken met dat van de Renaissance.

ThingLink-DifferentArt
VOORBEELD: ‘Different Art’, door Keri Lynn Johnson (oktober 2013) vergelijkt schilderijen door de eeuwen heen.

Het door ThingLink gebruikte platform lijkt een beetje op Pinterest en Flickr.  De dienst wordt – betalend – gebruikt door online publishers (zoals New York Magazine) voor uitdagende en meer interactieve reclame. Bloggers gebruiken ThingLink om hun interactieve afbeeldingen via sociale media te delen. In het onderwijs wordt ThingLink door meer dan 50.000 leerkrachten en studenten benut.

PRODUCTIE: ThingLink Inc. / Oy

De toekomst van kritiek ligt in de vorm

jkk-bg

En wat als we die eeuwige ‘crisis van de kunstkritiek’ nu eens niet zouden wijten aan kwade krachten buiten de kunstkritiek zelf? En we daarbij ook eens vooruit zouden kijken? Of een heel klein beetje opzij? Dat zou al veel helpen.

WOUTER HILLAERT | Het was al weer een hele poos geleden, maar eind februari werd de kunstkritiek zélf nog eens onderwerp van debat in de krant. ‘Het Nederlandse discours over kunst is vergiftigd – zeker in vergelijking met Duitsland. En gaan kunstcritici hieraan ook mee doen, dan zal kunst in Nederland in geen tijd uitsterven.’ Regisseur Johan Simons reageerde meer dan geagiteerd op Ron Rijghards negatieve recensie van zijn voorstelling Dantons dood bij Toneelgroep Amsterdam. Hij ergerde zich niet alleen aan de oppervlakkigheid en de hatelijke toon waarmee Rijghard het stuk van Büchner had afgevlagd als duf en irrelevant. Hij vond dat snelle oordeel ook vooral tekenend voor het vrijemarktdenken en het populistische toontje dat in Nederland steeds meer opgeld doet, terwijl in Duitsland tenminste nog steeds de reflectie op mens en samenleving primeert, als het om kunst gaat. Rijghard van zijn kant repliceerde simpelweg dat de criticus niet aan de kant van de kunstenaar moet staan, maar deel uitmaakt van het publiek.

Zo gaat het debat al decennia. Het bespreekt kunstkritiek als een functie, waar de praktijk dan tegen zondigt. Wat die functie is? Daar bestaan nogal wat visies over, maar over de kern is iedereen het eens. Kunstkritiek beschrijft, analyseert, interpreteert en beoordeelt kunstwerken op het publieke forum. Ze biedt de gemeenschap een gelaagde, onafhankelijke en dus kritische kijk op de waarde en de kwaliteit van kunst. De functie van kunstkritiek, kortom, is dat ze de kunst ontvouwt of uitdaagt, en het publiek emancipeert. Maar gebeurt dat ook echt? Nee, sinds jaar en dag leven we onder de loden straling van ‘de crisis van de kritiek’. Krimpende recensies, een groeiende consumptielogica, tanende autoriteit, een wildgroei aan meningen, overdreven elitarisme of het gebrek eraan, steeds meer oordeel en minder analyse… Het rijtje met pijnpunten is onderhand bekend. Debat na debat zijn ze herhaald en opgelijst, en steeds is daarbij met priemende vinger gewezen naar de media, het kapitalisme, het onderwijs, de spektakelmaatschappij, de culturele vervlakking… Johan Simons ziet het niet anders. Dat de Nederlandse kunstkritiek voor hem niet meer functioneert zoals het hoort, ligt ten dele aan de kijk en de kunde van de critici, maar vooral aan de geest van de tijd, aan de geest van het land. In essentie ligt het probleem dus buiten de kunstkritiek zelf?

Dat is een te beperkte visie, die het debat al jaren in kringetjes doet draaien. Wat de kritiek nodig heeft, is zelfkritiek. En niet zozeer als functie, maar als medium. Zo kijken we er bijna nooit naar: kunstkritiek als een bepaalde (literaire?) vorm, op een bepaalde drager en met bepaalde tools om haar input (pakweg driedimensionale kunst) om te zetten in een bepaalde output (tekst). Dat medium is twee eeuwen lang nauwelijks veranderd. Over zowat alle kunst blijven critici zich per definitie uiten in zwarte lettertjes op een witte achtergrond, zelfs al wordt die achtergrond steeds vaker een scherm. Die traditie lijkt vanzelfsprekend, maar is ze dat wel? In een cultuur die steeds meer visueel communiceert, waarin we opstaan en gaan slapen met de illusie van interactiviteit, waarin alles streeft naar co-creatie en coöperatie, en nieuwe media zoveel meer mogelijkheden hebben gedemocratiseerd, blijft de kunstkritiek in de ban van Gutenberg, in de ban van de monoloog van één zendende criticus. Reportages en interviews over kunst worden bijvoorbeeld wel met gemak gefilmd, maar diezelfde camera wordt zelden gebruikt voor kritiek. Critici blijven eenzame pennenlikkers met een muisarm.

TWEEDE KRITISCH CONCILIE

Waarom zou dat anders moeten, vraagt u zich natuurlijk af. Omdat de tijd het ons dicteert? Dat zou inderdaad een flauwe reden zijn. De enige juiste vraag is hoe critici het best hun rol, hun positie en hun missie kunnen blijven waarmaken. Wel, ook de criticus zelf is een medium: een vertalend ‘midden’ tussen kunstenaars en publiek – en dus geen slippendrager van het ene of het andere kamp, zoals Ron Rijghard suggereert. De kunstcriticus moet waakzaam zijn voor ontwikkelingen aan twee kanten. En dan valt het op dat aan de ene kant veel kunst steeds meer multimediaal en multidisciplinair opereert, en dat aan de andere kant het publiek steeds minder een naarstige lezer en een loutere ontvanger wil zijn. Waarmee de criticus dan geconfronteerd wordt, is – met een wat manke metafoor – dezelfde vraag als die van de katholieke kerk in de jaren zestig. Spreken we nog wel de taal waarin we het best worden begrepen door wie we gehoord willen worden? Wat de kunstkritiek nodig heeft, is een Tweede Vaticaans Concilie. Hoe spreken in deze nieuwe tijden?

Minstens een deel van de ‘crisis van de kunstkritiek’ is een loutere vormkwestie, geloof ik. Waarom zouden studenten voor hun plezier nog lange teksten willen lezen, als er op YouTube ook TED-lezingen te vinden zijn, en elke papieren handleiding is vervangen door visuele tutorials? Evenzo ligt de tanende autoriteit van kritiek niet enkel aan toenemend populisme. Het ligt ook aan een gebrek aan interactieve mogelijkheden om als gebruiker van (de betere) kunstkritiek mee te denken, tegengeluiden te opperen, desgewenst in discussie te gaan met de criticus – nu kan dat hoogstens helemaal onderaan bij een online recensie, in de vergeetput van de comment-optie. In een tijd waarin lezen sampelen wordt, en consumenten vervellen in prosumers, zal de kunstkritiek zich dus minstens vragen moeten stellen bij haar klassieke taalcodes. Het volstaat om een filmpje te zien waarop een peuter door een tijdschrift bladert en alleen maar swipet over de tekst en tikt op de foto’s, en totaal niet begrijpt waarom er niets beweegt. Veel kans dat deze generatie over twintig jaar niet alleen op heel andere manieren informatie tot zich neemt, maar ook heel anders redeneert. Is de kunstkritiek daar klaar voor?

Veel inspiratie biedt de online community. Want – boude stelling – de Anna Tilroe en de Jac Heijer van 2025 zitten vandaag niet in de wachtkamer van de kunsttijdschriften, maar op YouTube en Vimeo. Van typographic animation en de spitse cultuurkritiek van Parijzenaar Norman tot de RSA-filmpjes met geïllustreerde lectures: ze bieden wervende vormen waarin wellicht ook de kunstkritiek zich thuis kan voelen. Een mooi voorbeeld dichter bij huis is De snijtafel. Het duo Michiel Lieuwma en Kasper C. Jansen beschrijft, analyseert, interpreteert en beoordeelt tv-programma’s in relatief lange en serieuze filmpjes, die toch op de VPRO mogen. Wat ze voor hebben? Hun kritiek bespreekt natuurlijk wel populaire cultuur, maar ze is ook dialogisch én visueel. Zo heb je in Vlaanderen ook De Zendelingen, of het duo Filip Tielens en Bregt Van Wijnendaele, die na theatervoorstellingen een moderne biechtstoel neerplanten in de foyer, en gesprekken tussen wisselende toeschouwers en een onzichtbare criticus opnemen, monteren en laten illustreren door een tekenaar. Deze mediale experimenten zijn allemaal nog pril. Maar ze doen de kunstkritiek tenminste weer vooruit kijken, in plaats van zich te nestelen in cultuurpessimistische nostalgie over wat vroeger wél nog allemaal kon in de krant.

EEN BREDE WAAIER

Het is allemaal makkelijker gezegd dan gedaan, dat klopt. Het vergt meer tijd en andere middelen, en wellicht meer multimediale teams. Bovendien is het gevaar van vervlakking reëel. Hét kwaliteitscriterium moet blijven dat er zich vanuit het kunstwerk zelf – meer dan vanuit het publiek – een meerwaarde aandient om te kiezen voor audiovisuele of dialogische vormen van kritiek. Ik beweer dus niet dat we af moeten van papier, wel dat de kunstkritiek haar mediale mogelijkheden moet verruimen. Er bestaat immers nog altijd een goede kans dat voor een diepgravend essay de geschreven vorm de beste blijkt. Maar wie zegt dat Prezi of Pinterest geen betere tools zijn voor een historische analyse van de visuele inspiratiebronnen van de laatste tentoonstelling van Jan Fabre? Of dat een publiek Skype-debat tussen vier critici uit vier Europese landen geen rijker materiaal zou kunnen opleveren over een reizende theaterproductie van Ivo van Hove? De waaier moet breder. Critici moeten op zoek naar alternatieve manieren van beschrijven, naar nieuwe verhoudingen tussen tekst en beeld – dat is ook de overtuiging van het Laboratorium Actuele Kunstkritiek, een open onderzoeksplatform van en voor cultuurtijdschriften en -critici, die met deze nieuwe vormen willen experimenteren.

Deze revitalisering gaat verder dan de simpele keuze tussen papier en online. Wat we vandaag meemaken, is een verschuiving van een papieren naar een online denken. Papier staat daarbij voor autoriteit, onderzoek, hiërarchie, institutionalisering van de productiemiddelen. Het is dát denken dat in crisis is. Online daarentegen staat voor een cultuur die Alessandro Baricco mooi heeft geschetst in De barbaren, zonder ze meteen te veroordelen. Ze denkt horizontaal, surft mee op de golven, lijkt puntiger en vluchtiger. Maar tegelijk kan ze ook democratiserend werken, gelooft ze in de kracht van de community, vormt ze een mogelijke oppositie tegen de gevestigde (media)orde. Een nieuwe kunstkritiek is dus meer dan een lichter verteerbare promotie van kunst, voor een sneller consumerend publiek. Het is niet per definitie een ‘vergiftiging’, om Simons te citeren. Wel een potentiële verrijking van het smaakpalet, een verbreding van de mogelijkheden van critici om aan kritiek te doen, in touch met hun tijd. Voor zo’n mind switch heeft de Prijs van de Jonge Kunstkritiek alvast zijn naam mee.

Dit essay is tevens gepubliceerd door De Groene Amsterdammer.


Prijs voor de Jonge Kunstkritiek 2014

De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek is een stimuleringsprijs voor een nieuwe generatie critici en essayisten die schrijft over hedendaagse beeldende kunst. De prijs wil jonge kunstcritici stimuleren en de aandacht voor kwalitatief hoogstaande kunstkritiek en kunstjournalistiek in de mainstream media vergroten. De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek is een initiatief van de Appel arts centre, Vlaams Nederlands Huis deBuren, het Mondriaan Fonds, het Stedelijk Museum, STUK en Witte de With, Center for Contemporary Art. In 2014 wordt de tweejaarlijkse prijs voor de vierde keer uitgereikt, in de categorieën ‘essay’, ‘recensie’ en ‘visuele kritiek’. De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek richt zich op critici tot 35 jaar. Deadline: 12 september 2014.

ZIE voor meer informatie jongekunstkritiek.net

Workshop 5: print en online (verslag)

vr. 14 maart 2014, 13.00-18.00u | Vlaams-Nederlands Huis deBuren, Leopoldstraat 6, Brussel

In deze workshop is ingegaan op de consequenties van online publiceren – in combinatie met print of als vervanging van print – voor het werkproces van uitgevers en redacties. Florian Cramer (lector aan het kenniscentrum Creating 010 – Hogeschool Rotterdam) en Joost Kircz (oud-lector en onafhankelijk onderzoeker elektronisch uitgeven) introduceren de Digital Publishing Toolkit for the Arts and Culture. In dit onderzoeksproject staat de beste weg naar e-publishing centraal. Aan de hand van vragen van de deelnemers delen zij hun expertise en nemen daarbij de gehele organisatie van een cultuurmagazine in beschouwing. Moderator: Raymond Frenken (LAK).

PAPIER ÉN DIGITAAL

Geen van de aan deze workshop deelnemende publicaties overweegt op dit moment volledig over te stappen van papier naar digitaal, blijkt na inventarisatie. Sterker nog: het volledig digitale magazine WdW Review heeft de ambitie een selectie van online artikelen als papieren uitgave te bundelen. Reden hiervoor zijn de verschillen tussen papier en digitaal wat ‘tactiliteit’, ‘autoriteit’ en ‘houdbaarheid’ betreft.

De meeste tijdschriften plaatsen een selectie van artikelen uit de papieren uitgave online, een enkel tijdschrift stelt de volledige inhoud als pdf beschikbaar (via Issuu). Dat leidt tot de vraag of een tijdschrift niet in eigen voet schiet, door zowel off- als online dezelfde keuzes te maken.

Per publicatie moet je besluiten wat de beste vorm of drager is, stelt Florian Cramer. Bij kunstpublicaties waar bijvoorbeeld gehecht wordt aan afbeeldingen van hoge kwaliteit kan drukwerk nog steeds de beste keuze blijken.

De verschillen tussen analoog en digitaal kun je ook bewust inzetten. Zet bijvoorbeeld je online kanaal in als ‘teaser’, waarbij gratis voorproefjes van lagere kwaliteit de geïnteresseerde gebruiker verleiden het analoge product met hoge(re) analoge kwaliteit aan te schaffen.

Voor inspirerende voorbeelden van cross-overs tussen analoog en digitaal publiceren – waarbij digitale middelen de inhoud verrijken en zelfs geïncorporeerd kunnen worden in de analoge uitgave, verwijst hij naar het boek Post-Digital Print. The Mutation of Publishing since 1894 (Onomatopee, 2012) van Alessandro Ludovico, een Italiaanse onderzoeker die verbonden is aan Digital Publishing Toolkit. Dit boek is ook als download beschikbaar. Soortgelijke voorbeelden zijn te vinden op het blog ‘Post-Digital Publishing Archive’ van zijn collega Silvio Lorusso.

Print_vs_Electrons_1 Print_vs_Electrons_2 Print_vs_Electrons_3
‘Print vs. Electrons. 100 differences and similarities between paper and pixel’,
uit: Alessandro Ludovico, Post-Digital Print. The Mutation of Publishing since 1894, 2012

DUURZAAMHEID

De duurzaamheid van digitaal publiceren is voor veel redacties een punt van aandacht. Omdat de inhoud voorbij de actualiteit van de dag voert, bewaren lezers papieren uitgaven. De publicaties zijn bovendien van waarde als tijdsdocument: wat achten redactie en auteurs op dat moment van waarde, wat is hun perspectief? Dit heeft gevolgen voor archivering van stukken. Bij voorkeur worden ze niet alleen als afzonderlijke tekst, maar ook in samenhang met de overige inhoud van het blad bewaard. Daarnaast is men benieuwd hoe je door digitale ontsluiting het eigen archief tot leven kunt wekken.

Voor archivering heeft nog geen standaardisatie plaatsgevonden, stellen Cramer en Kircz. Zij raden aan zowel het losse artikel als de volledige publicatie op te slaan (bijvoorbeeld als volledige pdf). De ervaring leert: hoe ‘interactiever’ je uitgave is, hoe minder duurzaam. Bij gebruik van uiteenlopende bestandsformaten, ben je ook afhankelijk van ondersteuning door browsers en besturingssystemen. Flash was enkele jaren geleden nog populair onder web-programmeurs, maar wordt nu niet meer ondersteund door de meeste mobiele browsers.

Als je je inhoud via verschillende platformen wil publiceren, moet je telkens alles (opnieuw/anders) coderen, met risico op fouten en verlies van data. Vlucht daarom niet blindelings in de nieuwste techniek, kies voor duurzame formats zoals txt, xml en epub voor tekst(opmaak) en jpeg en gif voor beeld. Ook waarschuwen zij ervoor goed te letten op afspraken m.b.t. auteursrecht en herpublicatie bij samenwerking met platforms als eLinea en Issuu of diensten als Soundcloud, Flickr of Vimeo (geluid, beeld, video).

Photostatic_Retrograde_archive
Voorbeeld: digitaal archief (doorzoekbare pdf’s) van het tijdschrift Photostatic Retrograde (1983-1998).
In dit magazine stond het gebruik van fotokopieën door kunstenaars en ontwerpers centraal.

ORGANISATIE

Het onderzoek van Digital Publishing Toolkit richt zich op de volledige organisatie van het publicatieproces. Structurele problemen met betrekking tot bedrijfsvoering, worden niet opgelost door digitaal te gaan. Een deelnemer merkt op, dat digitalisering ertoe leidt dat binnen zijn tijdschrift inmiddels meer geld naar vorm (specialisten m.b.t. vormgeving en digitalisering) vloeit, dan naar inhoud (redacteuren en auteurs). Hoe voorkom je dat voor elk nieuw platform externe en duurbetaalde krachten aangetrokken moeten worden?

Cramer en Kircz erkennen het probleem om dezelfde kwaliteit te waarborgen bij publicatie via verschillende platforms (papier, browser, mobiele browser, app, epub, eLinea, Issuu). Zij adviseren een weloverwogen keuze te maken voor één of twee platforms die de inhoud op de beste manier weergeven (hetzij analoog, hetzij digitaal). De andere platforms zijn afgeleiden daarvan. Om vertaalfouten te voorkomen, raden zij gebruik van Word af. Het is beter om in het hele werkproces – van auteur tot (web)redacteur – open bestandsformaten als xml of MarkDown te gebruiken.

Het Digital Publishing Toolkit-project wordt afgesloten met een tweedaagse conferentie in Museum Boijmans Van Beuningen en een uitgebreid programma met workshops in WORM:
22-23 mei 2014 | Museum Boijmans Van Beuningen & WORM, Rotterdam | http://digitalpublishingtoolkit.org